Pre­deekstohl in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɾɛː·dɛːkˌstɔu̯l/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pre·deek·stohl
Plural: Pre­deekstöhl m de Pre­deekstohl
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Photo: Andreas Praefcke, CC BY 3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Kanzel in de Kark
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: predeeken + Stohl