ple­seerlich in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈplɛː·zɛː͡ɐ·lɪç/ 🔊︎
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ple·seer·lich
pleseerlicher pleseerlichst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
vergnööglich
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Pleseer + -lich