Marl­spie­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈma͡ɐlˌspiː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Marl·spie·ker
Plural: Marl­spie­kers m de Marl­spie­ker

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: marlen + Spieker