Na­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈnɔː·ɡəl/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Na·gel
Pluralis: Nagels m de Na­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Nagel is mi inreten.