Krei­er in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɾaɪ̯·əɾ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Krei·er
Plural: Krei­ers m de Krei­er
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Kreier