Ha­ve­ree in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔː·və·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ha·ve·ree
Plural: Ha­ve­re­en f de Ha­ve­ree
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
haverij
Duits:
Havarie

Etymologie:

Woord afleidt van: -ee