Wrack­he­ren in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɾakˌhɛː·ɾən/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wrack·he·ren
Plural: Wrack­he­rens m de Wrack­he­ren
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wrack + Heren