Kü­sel­din­g in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkyː·zəlˌdɪŋ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kü·sel·ding
n dat Kü­sel­din­g
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Küsel + Ding