Dalgang in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɔːlˌɡank/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dal·gang
Plural: Dalgäng m de Dalgang
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: dal + Gang