E­ken­schu­ver in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛːkn̩ˌʃuː·vɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: E·ken·schu·ver
Plural: E­ken­schu­vers m de E­ken­schu­ver
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Eek + schuven + -er