schä­mern in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɛː·mɐn/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: schä·mern
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: schamen