Me­cken­som­mer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɛkn̩ˌzɔ·mɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Me·cken·som·mer
m de Me­cken­som­mer
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Meck + Sommer