Spill­wark in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈspɪlˌva͡ɐk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Spill·wark
n dat Spill­wark
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
komisch Schauspeel

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Spill + Wark