Su­sän­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈsuː·sɛn·ɡɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Su·sän·ger
Plural: Su­sän­gers m de Su­sän­ger
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Woord afleidt van: -er