Af­gaav in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈafˌɡɔːˑf/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·gaav
Plural: Af­ga­ven f de Af­gaav
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
fee
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: af- + Gaav