An­ker­steed in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈan·kɐˌstɛːˑ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: An·ker·steed
Plural: An­ker­ste­den f de An­ker­steed
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Anker + Steed