Mai­bloom in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmaɪ̯ˌblɔˑu̯m/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mai·bloom
Plural: Mai­blo­men f de Mai­bloom
Plural: Mai­blö­mer f de Mai­bloom
[1]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Mai + Bloom