Be­sweer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /bəˈsvɛːˑ͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Be·sweer
Plural: Be­swe­ren f de Be­sweer
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Akt von’t sik beklagen över wat
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: be-