Be­swiem­nis in het Nedersaksisch

Uitspraak: /bəˈsviːm·nɪs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Be·swiem·nis
n dat Be­swiem­nis
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: beswiemen + -nis