Be­ter­nis in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛː·tɐ·nɪs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Be·ter·nis
n dat Be­ter­nis
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Miene Kuur hett mi Beternis bröcht.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: goot + -nis