mi in het Nedersaksisch

[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
mij
me
Engels:
me
Duits:
mir
Voorbeelden:
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
mij
me
Engels:
me
Duits:
Voorbeelden:
Hau mi nich!