ho­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔː·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ho·rig
horiger horigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
harig
Engels:
=
hairy
Duits:
=
haarig

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hoor + -ig