Im­men­schuur in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɪm̩ˌʃuː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Im·men·schuur
n dat Im­men­schuur
f de Im­men­schuur Westfälisch

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Imm + Schuur