Lung­wust in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlʊnkˌvʊst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Lung·wust
Plural: Lung­wüst f de Lung­wust
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Lung + Wust