ma­dig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɔː·dɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ma·dig
madiger madigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Maad + -ig