Mann­s­keerl in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmansˌkɛː͡ɐl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Manns·keerl
Plural: Mann­s­keerls m de Mann­s­keerl
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Mann + Keerl