Päch­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɛç·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Päch·ter
Plural: Päch­ters m de Päch­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pacht + -er