Paa­schen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔːʃn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Paa·schen
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Woord afleidt van: Paasch