Uitspraak in het Plat: /ˈpɪnɡstˌdaç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pingst·dag
Pluralis: Pingstdaag m de Pingst­dag
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: pingst + Dag