Schud­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃʊ·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schud·der
m de Schud­der
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: schuddern