ehr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː͡ɐ/
voornaamwoord
[1]
basiswoordenschat
Examples:
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Genitiv to se
Engels:
Duits:
ihr
Examples:
Tine ehr Söhn heet Jan.
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
her
Duits:
sie
Examples:
Ik heff ehr fraagt.
[4]
geavanceerde woordenschat
[5]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
[6]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch: