Schuld­schien in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃʊltˌʃiːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schuld·schien
Plural: Schuld­schiens m de Schuld­schien
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
IOU
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schuld + Schien