Schüt­ten­gill in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃʏtn̩ˌɡɪl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schüt·ten·gill
Plural: Schüt­ten­gil­len f de Schüt­ten­gill
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Grupp von Scheetsportlers
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schütt + Gill