slud­de­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈslʊ·də·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: slud·de·rig
sludderiger sludderigst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
fludderig
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
unordentlich
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: sluddern + -ig