ut­ban­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /uːtˈba·nɪç/
bijwoord
Afbreking: ut·ban·nig
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ut + bannig