ut in het Nedersaksisch

[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
uit
Engels:
Duits:
aus
Voorbeelden:
Se is ut Sweden.
[2]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
uit
Engels:
Duits:
aus
Voorbeelden:
[3]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
van
Engels:
Duits:
aus
Voorbeelden:
[4]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
aus
Voorbeelden:
Nu is allens ut.