Schaap­ka­ven in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔːpˌkɔːm̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schaap·ka·ven
Plural: Schaap­ka­vens m de Schaap­ka­ven
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schaap + Kaven