gals­te­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡals·tə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: gals·te·rig
galsteriger galsterigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Galster + -ig