Ut­küb­ben in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈuːtˌkʏbm̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ut·küb·ben
Plural: Ut­küb­bens f de Ut­küb­ben
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ut + Kübben