half­wies in het Nedersaksisch

Uitspraak: /halfˈviːˑz/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: half·wies
geen trappen van vergelijking
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: half + wies