wun­ner­lich in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvʊ·nɐ·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: wun·ner·lich
wunnerlicher wunnerlichst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wunnern + -lich