Klunt­je­tan­g in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈklʊnt·jəˌtaŋ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Klunt·je·tang
Plural: Klunt­je­tan­gen f de Klunt­je­tan­g
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kluntje + Tang