un­wiss in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ʊnˈvɪs/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: un·wiss
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + wiss