Wick­wief in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈvɪkˌviːf/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wick·wief
Pluralis: Wickwiever n dat Wick­wief Westfälisch, Preußisch
Pluralis: Wickwieven n dat Wick­wief
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wicken + Wief