Sett­recht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɛtˌɾɛçt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sett·recht
Plural: Sett­rech­ten n dat Sett­recht
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
oolt överlevert Recht

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Sett + Recht