San­daal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /sanˈdɔːˑl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: San·daal
Plural: San­da­len f de San­daal
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
=
sandal
Duits: