Schab­bes in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃa·bəs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schab·bes
m de Schab­bes
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
de Fierdag elke Week bi de Joden
Nederlands:
=
sabbat
Engels:
Duits:
=
Sabbat