Sa­gels in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈzɔː·ɡəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sa·gels
Pluralis: Sagels n dat Sa­gels
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: sagen + -els