e­len­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛːˌlɛ·nɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: e·len·nig
elenniger elennigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Elend + -ig