Plag­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈplaɡn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Plag·gen
m de Plag­gen
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: Plagg